Col: Taalgala en tranen

Taalkundigen hebben een vreemd idee van feest. Dat bleek gisteren maar weer eens, toen de Utrechtse hoogleraar Frank Wijnen het laatste deel van de Grote Taaldag, het deel dat al vijftien jaar ‘Taalgala’ heet, opende met een toespraak die stijf stond van de somberheid: de toekomst voor de taalwetenschap in Nederland is inktzwart, de regering breekt alles af, waar moet dat heen met ons aanstormende talent, enzovoort. Wie zo naar Wijnen luisterde, had geen zin meer in feest, die wilde alleen nog maar zo snel mogelijk de kou is om zijn tranen op zijn wangen te laten bevriezen.

En het was nog wel zo’n leuke, zo’n bontgekleurde en hoopgevende dag geweest, waarop weer eens bleek hoe ongelooflijk rijk de taal is en hoe inventief de mens die haar bestudeert. Hier zijn twee voorbeeldjes over het Nederlands te nemen (ik kon maar bij een fractie van alle lezingen aanwezig zijn omdat er zoveel tegelijkertijd gegeven werden).

Misschien was het bij specialisten wel bekend, maar ik had nooit stilgestaan bij het feit dat je met ‘het’ als onderwerp alleen naar mensen kunt verwijzen als het naamwoordelijk gezegde een zelfstandignaamwoordsgroep is, maar niet in andere gevallen:

– Wat vind je van Peter? Het is een schat.
– Wat vind je van Peter? Het is schattig. [uitgesloten]
– Wat vind je van Peter? Het werkt heel hard. [uitgesloten]

Het verrassendste was echter dat Merijn de Dreu en Leston Buell, allebei van de Universiteit van Amsterdam, lieten zien dat de grammatica van het Zoeloe precies hetzelfde onderscheid maakt. Ik vind dat een van de mooiste dingen in ons vak: twee talen die niets met elkaar te maken hebben doen ergens in hun uithoek van de grammatica hetzelfde.

Janine Berns en Haike Jacobs uit Nijmegen vertelden dan weer over een onderzoek dat ze doen naar de uitspraak van de tweeklanken ij/ei, ui en au voor een l en waarover ze ook vorig jaar al verslag uitbrachten. Ze lieten zien dat sommige Nederlanders geen verschil meer maken tussen bel en bijl, of tussen pal en Paul; en als er een verschil is, is het dat de klinker in bijl langer is dan bel: de eerste klinkt dus een beetje als bèèl.

Ik zou zo verder kunnen gaan, er gebeurt van alles. Dat bleek trouwens ook uit de rest van het Taalgala, waar Sander Lestrade een prijs kreeg voor zijn vorig jaar verschenen Nijmeegse proefschrift en Anne-France Pinget voor haar Utrechtse scriptie. Er was ook een prijs voor de beste populariserende uitgave van het afgelopen jaar, waarvoor drie kandidaten waren die het alledrie hadden kunnen winnen – Sharon Unsworth, Ivana Brasileiro en Manuela Pinto met workshops over tweetalig opvoeden voor jonge ouders; de redactie van Onze Taal met de jaargang van vorig jaar; en Nicoline van der Sijs met haar Dialectatlas – en die uiteindelijk gewonnen werd door de laatste.

Er zijn niet veel taalkundigen in Nederland, maar ze doen wat ze kunnen en ze halen nog ieder jaar allerlei zaken naar boven die fascinerend zijn, als je er oog voor hebt.

Iedere taalkundige weet ook waarom het belangrijk is: omdat al dat gepriegel over Het is schattig en het verschil tussen bijl en bel ons uiteindelijk iets kunnen vertellen over hoe de mens en de menselijke samenleving in elkaar zitten; omdat taal hetgene is dat de mens het duidelijkst onderscheidt van alle andere wezens in dit universum.

Het is duidelijk dat de dag dat Marja van Bijsterveld en Maxime Verhagen met rode oortjes op de eerste rij zullen zitten bij een praatje van Merijn de Dreu en Leston Buell nog ver in de toekomst ligt — maar we mogen niet de hoop verliezen dat die dag gaat komen en dat Marja en Maxime op hun oude dag inzien dat het menszijn te raadselachtig is om in centjes uit te drukken.

Ondertussen is het beroep van taalkundige zo mooi. Als dat beroep alleen zou betekenen dat je je zorgen maakt, was het dus niet meer mooi; dus maak ik me maar liever niet teveel zorgen en blijf me verheugen. Hoe dreigend de toekomst ook is, veel mensen gaan door met zich verbazen over details in het menselijk bestaan. De taal is gratis en overal om ons heen in overvloed voorhanden. Er wordt bijna iedere dag wel iets nieuws ontdekt. Dat hebben we gisteren gevierd.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie. Bookmark de permalink.