Col: Doodziek, dóómm en slimmer

Was u net van plan om vandaag voor dag en dauw op te staan, en dan ligt er sneeuw en ijs! U wilde natuurlijk naar de Grote Taaldag in Utrecht en u was vastbesloten zich door niets en niemand van dat voornemen te laten weerhouden, maar u had buiten weeralarm oranje gerekend.

Ik ben zelf al vertrokken om samen met mijn collega Björn Köhnlein van het Taalportaal een presentatie te geven over een aantal vreemde verschijnselen in het Nederlands, die allemaal gaan over de uitspraak van bijvoeglijk naamwoorden en waarvan we beweren dat ze met elkaar te maken hebben.

Allereerst, de klemtoon in doodziek ligt normaal gesproken op ziek in de volgende zin:

– Dat kind is doodziek.

Hij kan wel op dood liggen, maar alleen als je wil benadrukken dat het kind niet ziek is, maar doodziek. Dat ligt anders in de volgende zin:

– Dat is een doodziek kind.

In de eerste zin (waarin het bijvoeglijk naamwoord bij het zelfstandig naamwoord staat, of attributief wordt gebruikt) ligt de nadruk op dood; in de tweede zin (waarin het bijvoeglijk naamwoord deel vormt van het naamwoordelijk gezegde — predicatief wordt gebruikt) ligt hij op ziek. Diezelfde wisseling kun je ook horen in knettergek, steenkoud, of heel leuk (‘dat plan is heel leuk/ ‘dat is een heelleuk plan’).

Zeeziek

Toch gebeurt dit niet bij alle samengestelde bijvoeglijk naamwoorden en naamwoordsgroepen, maar alleen als het geheel een verhoogde graad aanduidt. Doodziek is erg ziek, knettergek is erg gek, steenkoud is erg koud. Bij andere soorten samenstellingen zie je die wisseling (doorgaans) niet. De klemtoon blijft bijvoorbeeld hetzelfde in de volgende zinnen:

– Dat kind is zeeziek.
– Dat is een zeeziek kind.

Het is overigens lang niet altijd makkelijk om vast te stellen tot welke categorie een bijvoeglijk naamwoord hoort, daar zijn we nog niet uit. Mij intigreert deze klemtoonwisseling al jaren: wat is dat met die hogegraadsaanduidingen dat ze zulke variabele klemtoon hebben? Nu wil ik niet beweren dat dit probleem vanmiddag gaat worden opgelost. Maar we zijn via het werk van onze collega Gertjan Postma op het spoor gekomen van meer eigenaardige gedragingen van bijvoeglijke naamwoorden in een verhoogde graad.

Toegeknepen ogen

De eerste is dat je bijvoeglijk naamwoorden ook sterker kunt maken door ze op een aparte manier uit te spreken: langgerekt en op een hoge toon. Het is een beetje moeilijk op te schrijven, vooral omdat het ’t beste werkt als je tijdens het uitspreken je ogen dichtknijpt en je schouders ophaalt (dat lijkt een grapje, maar het is echt zo):

– Die kerel is stóómm!
– Het is kóúóúd!

Het gekke is, die rare toon kun je niet leggen op bijvoeglijk naamwoorden die attributief gebruikt worden. De volgende zinnen zijn onmogelijk:

– Dat is een stóómme kerel! [uitgesloten]
– Dat is een kóúóúd handje! [uitgesloten]

Misschien moet ik preciezer zijn, je kunt in dit soort gevallen je toon wel een beetje verhogen op het bijvoeglijk naamwoord, maar het eigenlijke piepen en verlengen gebeurt op de zelfstandig naamwoorden kerel en handje. Het geeft een raar effect om de act met de toegeknepen ogen en de opgehaalde schouders alleen uit te voeren op het bijvoeglijk naamwoord.

Slimmer kerel

En dan zijn we nog niet klaar. Ook de vergrotende trap (slimmer) is natuurlijk een manier om een graad van het bijvoeglijk naamwoord aan te geven. En ook met die vergrotende trap is iets merkwaardigs aan de hand: hij hoeft niet per se verbogen te worden:

– Jan is een slim kerel. [uitgesloten]
– Jan is een slimmer kerel dan Piet. [toegestaan]

Je zou nog kunnen denken dat dit komt door die toonloze e in de laatste lettergreep van slimmer, maar als die e niet tot een vergrotende trap hoort, werkt het niet: ‘Jan is een snugger kerel’ kan niet.

Als een bijvoeglijk naamwoord wordt uitgedrukt in een verhoogde graad, gebeurt er dus steeds iets vreemds wanneer we hem attributief gebruiken. De klemtoon verschuift, een rare toon kan niet, een uitgang hoeft niet. Het is alsof die verhoogde graad zich niet gelukkig voelt in de buurt van het zelfstandig naamwoord. Hij moet een beetje buiten de zelfstandig naamwoordgroep blijven, anders gaat hij zich vreemd gedragen.

Dit alles ga ik dus vanmiddag in Utrecht vertellen, als het mag van alarmfase oranje.

Marc van Oostendorp

Er is ook een Engelstalige handout van onze presentatie.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie. Bookmark de permalink.

2 reacties op Col: Doodziek, dóómm en slimmer

  1. Reinier Post schreef:

    Als 'Jan is een slimmer kerel dan Piet.' is toegestaan, dan lijkt het me toch erg archaisch – ik zal het zelf nooit gebruiken.

  2. Ja, dat is waar; het klinkt een beetje plechtstatig, dat is het nadeel van dat voorbeeld.

Reacties zijn gesloten.