Col: *Smiley neerkrabbelt*

In het januarinummer van Onze Taal staat een mooie beschouwing van Frank Jansen, misschien wel de beste stilist onder de Nederlandse taalkundigen. Dat is ook vaak zijn onderwerp, schrijfstijl, in dit geval die van elektronische communicatie, maar lang niet alle stijlonderzoekers kunnen zelf zo goed schrijven.

‘Dubbele espresso pakken doet’, is de titel van het artikel, maar aan dat soort zinnetjes is slechts een klein deel gewijd: het gaat vooral over smileys. In 2010 werd een jongen die een dreigmail aan premier Rutte had verstuurd, vrijgesproken omdat hij smileys aan zijn tekst had toegevoegd (Jansen: ‘Zijn in films de griezeligste schurken niet juist degenen die hun tegenstander lekprikken met een glimlach?’) Naar aanleiding daarvan gaat Jansen in op de vraag hoe we precies smileys gebruiken. Hij bespreekt vooral heel precies de nadelen van die nieuwe lettertekens (er zijn er te weinig, ze zijn weinig precies en vaak een beetje kinderachtig), die ervoor zorgen dat internetgebruikers naar andere stijlmiddelen grijpen om hun emoties uit te drukken; in de ondertitel van zijn artikel spreekt hij van de ‘terugkeer van de indirecte stijl’. Jansen geeft een paar sprekende voorbeelden:

  • Dubbele espresso pakken doet
  • Daar driedubbele espresso met een scheut cognac van maakt
  •  Muur zoekt om hoofd tegen te slaan  
  • Oordopjes in doet
  • Poepen gaat  
  • Tevreden achterover leunt  
  • Trots buiging maakt
  • Waxinelichthouder uit vet trekt

Volgens Jansen is deze stijl een aanwijzing voor een (hernieuwd) besef dat “je het hart van de lezer nog steeds het snelst bereikt via de omweg van de (geveinsde) objectieve beschrijving”. Dat is aannemelijk, behalve dat Jansen ten onrechte veronderstelt dat die indirecte internetstijl een recent verschijnsel is. Ik herinner me dat soortgelijke zinnetjes al begin jaren negentig in chatboxen gebruikt werden, al was de stijl toen nog niet zo sprekend, met die espresso’s en zo. (Ik schreef in 1994 een boekje over het Internet waarin melding wordt gemaakt van die zinnetjes. Smileys moest je toen nog zelf intypen al circuleerden er al al wel lange lijsten van, en chatsessies werden doorlopend onderbroken doordat het modem van een vam de deelnemers vastliep. Er is dan ook geen reden om te denken dat die stijl nu ineens de lachende gezichtjes gaat vervangen.)

Ook het specifieke stijlmiddel van het verbogen werkwoord aan het eind, waaraan al Jansens’ voorbeelden voldoen, zonder dat de schrijver daar vreemd genoeg iets over zegt, was toen geloof ik nog niet uitgevonden. In het Nederlands is het een kenmerk van bijzinnen (‘hij zegt dat hij een koekje wil’) en van kindertaal, al wordt in de laatste de verbuiging meestal weggelaten (‘koekje eten’) en volgens een beroemd artikel uit 1974 van de Groningse taalkundige Jan Koster — zoals Frank Jansen misschien de grootste stilist is, is Jan Koster mogelijk de interessantste denker onder de Nederlandse taalkundigen — wordt aangetoond dat die volgorde de ‘onderliggende’ in het Nederlands, dat wil ongeveer zeggen: de meest basale. Waarom duikt die basale volgorde nu hier op? Het heeft waarschijnlijk te maken met het licht humoristische effect dat bereikt wordt en dat de mededeling vanzelf al een beetje ironisch laat klinken. De schrijver schept daarmee nog meer afstand tot de gevoelens die hij uitdrukt: volgens Jansen is de ‘omweg’ immers het voornaamste doel van de indirecte stijl.

Daarbij kiest de chatter dan wel voor een bestaande constructie uit het Nederlands en niet voor een echt geheel nieuwe: ‘Dubbele pakken espresso doet’ zou nog wel begrijpelijk maar te vervreemdend zijn.

Zoals het waarschijnlijk ook geen toeval is dat uitgerekend het onderwerp van de zin wordt weggelaten en niet een voorwerp (je zegt ‘espresso pakken doet’ en niet ‘ik pakken doe’, en evenmin dat er vaak een  loos werkwoord wordt ingevoegd (‘espresso pakken doet’ en niet ‘espresso pakt’). Volgens sommige taalkundigen heeft de afwijkende volgorde in hoofdzinnen (werkwoord voor het voorwerp) iets te maken met de vervoeging van het werkwoord. In ieder geval weten we dat niet vervoegde werkwoorden altijd achteraan staan: je zegt ‘ik wil een espresso pakken’ en niet ‘ik wil pakken een espresso’.

Nu betekent vervoeging in het Nederlands: het werkwoord past zich aan het onderwerp van de zin aan (‘ik ga’, ‘jij gaat’). Door nu dat onderwerp weg te laten en door de vervoeging uit te drukken op zo’n loos werkwoord als doet, wordt de neiging het hoofdwerkwoord naar voren te verplaatsen minder groot. Maar misschien begin ik er nu te veel in te zien. *Echt met koffiedrinken stoppen moet.*

Naschrift 14:30. Terwijl ik dit vanochtend schreef was ik vreemd genoeg vergeten dat het onderwerp anderhalf jaar geleden ook even woedde op het taalminnende internet. Deze discussie werd toen samengevat en becommentarieerd door P.A. Coppen in een van zijn miniatuurtjes. Na wat ik hierboven schreef, zijn de superlatieven even op, dus kan ik noet goed zeggen wat P.A, betekent voor de Nederlandse taalkunde, maar dat stukje moet u zeker lezen.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie. Bookmark de permalink.