Col: Mijn taalergernis

Hier is een vraag die veel mensen kennelijk dwarszit: ergeren taalkundigen zich dan nooit aan al die taalverloedering? Wij hebben toch een opleiding gehad, we weten het verschil tusen een eerste persoon en een tweede — hoe komt het dan dat wij altijd zo lankmoedig reageren op het ineenstorten van de taal?

Ik denk dat ergernis weinig met kennis te maken heeft, en veel meer met karakter. Sommige mensen ergeren zich aan het taalgebruik van anderen omdat ze een karakter hebben dat maakt dat ze zich graag ergeren. Andere mensen zien de wereld wat blijmoediger en toleranter tegemoet en laten zich niet door de eerste de beste misplaatste komma van de wijs brengen. Dat wil niet zeggen dat ze niet letten op hoe andere mensen praten, alleen dat ze daar niet onmiddellijk allerlei gevoelens bij ontwikkelen — en al helemaal geen negatieve gevoelens.

Daar komt nog iets bij. Door taalkunde te studeren ontdek je hoe irrationeel die gevoelens van ergernis zijn — dat vrijwel alles wat ‘fout’ is in taal geen mens kwaad doet en gebaseerd is op volkomen willekeurige decreten van mensen die vaak geen enkele aanspraak hebben op autoriteit. (Iemand zou zo’n aanspraak maken op autoriteit als bleek dat zij zelf heel effectief met taal weet te werken. Maar daarvan is bij de meeste bedenkers van taalregels geen sprake.) Als je al van die gevoelens van ergernis hebt, leer je door je studie die gevoelens te relativeren.

Ik moet zelf diep graven om echte ergernissen te vinden. Er zijn er wel een paar, maar ze zijn allemaal volkomen belachelijk. Ik vind mensen die het woord uiteraard gebruiken pretentieuze aanstellers, maar ik weet niet waarom; bovendien zegt mijn vader soms ook uiteraard en hem vind ik geen pretentieuze aansteller. Zo kan ik ook niet tegen mensen die het hebben over ‘een boek maken’ als ze bedoelen ‘een boek schrijven’. Als ik zo iemand op de radio hoor, verfoei ik die persoon hardop, maar ik weet eigenlijk niet waar deze afkeer vandaan komt. En, laatste voorbeeld, ik vind al mijn hele leven dat het verboden zou moeten worden om gym te zeggen tegen gymnasium, terwijl ik er geen enkele moeite mee heb als dat woord wordt gebruikt voor gymnastiek.

In al die gevallen denk ik dat het gevoel te maken heeft met een afkeer van pretentie (gymnastiek doet iedereen, daarom mag dat best worden afgekort, maar op het gymnasium komt alleen een elite en familiariteit is uit den boze.) Maar tegelijkertijd wantrouw ik die motivering, omdat hij mijzelf in zo’n bijzonder nobel licht plaatst, met mijn afkeer van pretentie. Het is meer wat het is, ik zal ooit weleens een nare persoon zijn tegengekomen die uiteraard zei, of een boek maken. En die persoon heeft die uitdrukkingen voor mij voor altijd verpest.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie. Bookmark de permalink.