Col: Linguïstisch Miniatuurtje CXLV: Grammar feud, the legend goes on

Vandaag, beste Grammar feud-vrienden (voor de regels, zie hier), weer een niet-controversiële kwestie, die ook nog eens niets met de taalnorm te maken heeft. Een pure zinsontledingskwestie van een bedrieglijke eenvoud, totdat je wat verder in het spel komt. Bij kwesties als deze, waar emoties nauwelijks een rol spelen, is het gevaar groot dat de speelronde te snel tot een conclusie komt. Dan is het spel voorbij voordat je er erg in hebt, en zit iedereen elkaar een beetje glazig aan te kijken rond de tafel. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn.

Het ligt een beetje aan het gezelschap, maar als je een te grote eenstemmigheid of apathie verwacht kun je overwegen om de zogeheten molkaarten in te zetten. De regels daarvoor zijn als volgt: je neemt de kaart waar een mol op afgebeeld is, en die vul je aan met blanco molkaarten tot het aantal deelnemers. Die schud je goed, en je deelt ze gesloten uit. De spelers mogen hun molkaart niet aan de anderen laten zien!

De speler die de kaart met de mol krijgt uitgedeeld is de mol. Zijn taak is om het spel zo lang mogelijk gaande te houden. Dat kan door op strategische momenten, als iedereen het eens dreigt te worden, een van de afgewezen stellingen te verdedigen, of als het spel dreigt in te zakken een prikkelend standpunt in te nemen. Maar let op: de mol mag zichzelf niet bekend maken!

Wanneer iemand een vermoeden heeft wie de mol is, kan hij deze speler uitdagen. In dat geval moet de speler zijn molkaart omdraaien. Als hij inderdaad de mol is, worden de kaarten opnieuw uitgedeeld. Bij een blanco molkaart gaat het spel gewoon door, tenzij er twee of minder spelers overblijven die hun molkaart niet omgedraaid hebben (want dan is de mol voor tenminste één andere speler bekend).

Dit zijn de grammar feud-kaarten voor vandaag:

Grammar feud kwestie: Hoe zit de woordgroen een schaal vol oliebollen in elkaar in de zin Ik heb een schaal vol oliebollen gebakken? Is vol oliebollen een woordgroep die een nabepaling vormt bij een schaal, of is een schaal vol een hoeveelheidsaanduiding bij oliebollen?

Misschien is voor beide analyses iets te zeggen, of is er een derde analyse denkbaar, maar in grammar feud moet je nou eenmaal kiezen. Dus: wat is het beste antwoord in de gegeven omstandigheden?

Dit zijn de stellingen die je moet gebruiken:

  1. Vol is een bijvoeglijk naamwoord dat bij schaal hoort.
  2. De zin betekent niet dat je de schaal gebakken hebt, maar alleen de oliebollen.
  3. De betekenis van het woord schaal is een huishoudelijk voorwerp, geen maat.
  4. Je kunt de woordvolgorde veranderen in Ik heb een schaal gebakken vol oliebollen.
  5. In de lijdende vorm wordt het Er wordt een schaal vol oliebollen gebakken en niet Er worden een schaal vol oliebollen gebakken.
  6. Je hebt ook de zin Ik heb er nog een schaal vol.
  7. Vol is hier een bijwoord omdat het onverbogen is.
  8. Je kunt de zin aanvullen tot Ik heb een schaal vol met oliebollen gebakken.
  9. Er bestaat ook de constructie een handvol. Daar zie je duidelijk dat hand en vol bij elkaar horen, want ze vormen samen één woord.
  10. Oliebollen heb je alleen in aantallen, niet in ontelbare hoeveelheden.
  11. Je kunt een schaal vol weglaten: Ik heb oliebollen gebakken.
  12. Je kunt oliebollen weglaten: Ik heb een schaal vol gebakken.
  13. Het gaat hier om een vorm van beeldspraak (metonymie) waarbij de schaal staat voor de inhoud.
  14. Vol is eigenlijk een versterking van met.

Let op: weer eerst de waarheid en relevantie van elke stelling bepalen, dan sorteren, en dan pas afwegen.

Veel speelplezier!

Peter-Arno Coppen

Dit bericht is geplaatst in geen categorie. Bookmark de permalink.