Col: De onvertaalbare canon

Gisteren, de dag dat Nederl-redacteur Francien Petiet in Amsterdam promoveerde op een proefschrift over de manier waarop in de negentiende eeuw de canon van het Nederlands werd gevormd, publiceerde de 21e-eeuwse canonmachine DBNL De langste dag, een nieuwe deelwebsite waarop hedendaagse dichters werk van hun voorgangers lezen. (Het materiaal is gefilmd tijdens de viering van het tienjarig bestaan van de DBNL vorig jaar.)

Ik heb Franciens proefschrift nog niet gelezen, maar als ik het goed begrijp laat ze zien dat de klassieke canon niet zozeer gevormd is op basis van bijvoorbeeld de vraag hoe ontroerend teksten waren, of hoe goedgeschreven, maar vooral op basis van de overweging of de auteurs als voorbeelden konden gelden van godvruchtige en nijvere Nederlanders.

De langste dag laat zien wat er van die canon nog over is. Bijvoorbeeld op de lijst met vertolkte dichters. Daar komen maar weinig echt godvruchtige dichters op voor, en zelfs van degenen die dat wel waren wordt eigenlijk nooit een gedicht over God voorgelezen. In een interview legt Antoon Korteweg zelfs expliciet uit dat hij van de ‘dominee-dichter’ J.L.L. ten Kate alleen frivoler jeugdwerk voordraagt. Zoals ook van andere door de negentiende-eeuw gekozen thema’s — de moedige strijd tijdens de tachtigjarige oorlog — nauwelijks nog iets over is.

Wat heeft de keuze dan wel bepaald? Als ik het goed zie, zijn het vooral de taalkunstenaars geweest, degenen die het Nederlands mooi hebben laten klinken. De volgende dichters werden bijvoorbeeld (in de eerste selectie, die nu op de website staat, er schijnt nog meer te komen) door meer dan één persoon voorgedragen: Anna Bijns, Constantijn Huygens, Lucebert, Martinus Nijhoff, Paul van Ostaijen, Obe Postma, J.J. Slauerhoff, Maria Tesselschade Roemers Vissers, Joost van den Vondel. Met een of twee uitzonderingen lijken me dat vooral dichters die zo aan de taal hangen dat ze niet of nauwelijks te vertalen zijn — en niet zo zeer dichters die we nu nog lezen vanwege bijvoorbeeld hun speciale manier van naar de wereld kijken.

Dat had natuurlijk te maken met de vorm van het programma: dichters moesten voorlezen en de keuze valt dan al snel op het verbale vuurwerk. Tegelijkertijd: deze website blijft hier nu staan en gaat mede de canon bepalen, zoals ook andere video’s van voordrachten misschien wel steeds belangrijker worden.

En er is nog iets: als er iets de Nederlander definieert in vergelijking met andere Europeanen, dan is dat niet langer het calvinisme of de properheid van onze huisjes. We hebben zo langzamerhand eigenlijk alleen nog maar het Nederlands. Wat ooit God, Koning en Vaderland waren, is nu eigenlijk alleen nog het feit dat niemand in het buitenland begrijpt waar Lucebert het over heeft. Het enige wat nog Nederlands is aan de Nederlandse dichter is zijn onverstaanbaarheid.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie. Bookmark de permalink.