Ove: Douwe Fokkema 1931-2011

Balanceren tussen wetenschap en engagement. In memoriam Douwe Fokkema (1931-2011).

Frans Ruiter (Universiteit Utrecht)

Op 23 augustus 2011 is Douwe Fokkema overleden. Fokkema was niet alleen in Nederland maar ook ver daarbuiten een gezaghebbend literatuurwetenschapper. Hij studeerde Nederlands in Amsterdam en Chinees in Leiden. In 1965 promoveerde hij op het proefschrift Literary Doctrine in China and Soviet Influence 1956-1960 (The Hague: Mouton). Van 1966 tot 1968 was hij zaakgelastigde van de Nederlands ambassade in Peking. Dit was in de turbulente periode van de zeer gewelddadige Culturele Revolutie waarover hij een uiterst boeiend en indringend ooggetuigenverslag schreef: Standplaats Peking: verslag van de Culturele Revolutie (Amsterdam: Arbeiderspers, 1970). In 1968 werd hij wetenschappelijk hoofdmedewerker bij de Rijksuniversiteit te Utrecht, in 1971 lector in de vergelijkende literatuurwetenschap en vanaf 1981 tot 1996 hoogleraar in dat vak. Onder zijn leiding maakte de vakgroep een enorme bloei door, en mede door zijn toedoen won het vak in Nederland in deze periode sterk aan prestige en belang, en beïnvloedde ook sterk de bestudering van de nationale letterkundes. Samen met Elrud Ibsch schreef hij Het modernisme in Europese Letterkunde (Amsterdam: Arbeiderspers, 1984). Het bijzondere aan dit indrukwekkende boek was tweeledig. Voor het eerste werd een aantal vooraanstaande Nederlandse auteurs (Carry van Bruggen, Ter Braak, Du Perron, Vestdijk) op goede gronden op voet van gelijkheid met de allergrootste Europese schrijvers uit het interbellum behandeld (Proust, Musil, enz). Daarnaast werd een nieuwe methodologie geïntroduceerd om een zogenaamde “periodecode” (in dit geval van het modernisme) zo objectief mogelijk vast te stellen. Van deze studie verscheen in 1988 een Engelse vertaling (Modernist Conjectures, London: Hurst) waarin het hoofdstuk over Carry van Bruggen helaas was gesneuveld ten faveure van een hoofdstuk over T.S. Eliot, maar waarin de andere drie Nederlandse auteurs nog altijd volop aandacht kregen. Van 1985 tot 1988 was Fokkema voorzitter van de International Comparative Literature Association, een zeer dynamische en waarlijk globale organisatie van literatuurwetenschappers uit alle werelddelen.

In 1992 verscheen het Literatuurwetenschap en cultuuroverdracht (Muiderberg: Coutinho) wederom geschreven samen met Elrud Ibsch. In dit boek nemen de auteurs ten aanzien van alle actuele debatten die toen in de literatuurwetenschap speelden een principiële positie in: het poststructuralisme, het canondebat, narrativistische opvattingen van de geschiedschrijving, literatuursociologie à la Bourdieu, enz. Er verscheen ook een meer op de Angelsaksische situatie toegesneden Engelse vertaling van: Knowledge and commitment: a problem-orientated approach to literary studies (Amsterdam/Philadelphia: Benjamins, 2000).

Fokkema was daarnaast de initiator, inspirator en leider van een omvangrijk NWO-prioriteitsprogramma over De Nederlandse cultuur in Europese context. Gecentreerd rondom vier ijkpunten (1650, 1800, 1900, 1950) werden over een periode van bijna tien jaar tal van promotie- en postdoconderzoeken geëntameerd naar de interactie tussen de Nederlandse en de Europese cultuur. Over elk van deze ijkpunten werd door vooraanstaande cultuurhistorici en letterkundigen vervolgens een synthetische studie geschreven. Het geheel werd besloten met een vijfde deel — Rekenschap 1650-2000 (Den Haag: SDU, 2001) — waarin Fokkema (samen met Frans Grijzenhout) de inleiding en het besluit voor zijn rekening nam. Dit omvangrijke onderzoeksproject liep nog toen Fokkema in 1996 met emeritaat ging. Toch zou dit nog niet zijn laatste bijdrage aan de wetenschap zijn. Enkele dagen voor zijn overlijden verscheen in 2011 wat misschien wel zijn magnum opus genoemd moet worden: Perfect World Utopian Fiction in China and the West (Amsterdam, Amsterdam University Press), een dikke studie van 450 pagina’s over het literaire genre van de utopie in een verrassend comparatief perspectief.

In het bovenstaande heb ik maar een fractie van de vele activiteiten, publicaties en onderscheidingen van Fokkema genoemd (zo publiceerde hij in zijn jonge jaren nog een poëziebundel en op latere leeftijd twee romans). Het is duidelijk dat het onderzoeksterrein waarop hij zich bewoog enorm was: van de twintigste-eeuwse Chinese literatuur tot het Europese modernisme en postmodernisme, van bespiegelingen over de fundamenten van de vergelijkende en theoretische literatuurwetenschap tot betrokken cultuurkritiek en een positiebepaling op tal van actuele maatschappelijke thema’s. Hij was het tegenovergestelde van een op een nauw omschreven terrein gespecialiseerde onderzoeker, maar dat wil niet zeggen dat zijn ideeën geen diepgang hadden. Al bladerend door een aantal van de hier genoemde publicaties word ik getroffen door de grote consistentie in zijn werk. In zijn beschouwingen is een aantal leidende gedachten en terugkerende thema’s aan te treffen. Er zit iets van een fascinerende tweespalt in het oeuvre, alsof er twee zielen in Fokkema’s borst huizen: die van de gedistantieerde en gedisciplineerde wetenschapper en die van de geëngageerde literatuur- en zelfs maatschappijcriticus. De hypothesen formulerende en hypothesen testende geleerde versus de betrokken cultuurdeelnemer met heel uitgesproken opvattingen. Maar de tweede wil niet ontrouw worden aan de eerste en vice versa. Dat laatste was hemzelf ook niet ontgaan en de metavraag die bij hem dan ook voortdurend terugkeert is hoe deze activiteiten zich tot elkaar verhouden en of er een brug tussen de domeinen van objectiviteit (wetenschap) en normativiteit (literatuur- en cultuurkritiek) geslagen kan worden. De (om zo te zeggen) performatieve spanning in het werk ontstaat omdat Fokkema strikt genomen beide als onverenigbaar beschouwt, maar dat hij tegelijkertijd toch steeds de hoop uitspreekt (en in zijn werk praktisch demonstreert) dat de wetenschap het normatieve kan verrijken, en dat andersom het normatieve richting geeft aan het wetenschappelijk onderzoek. Soms wekt hij (vermoedelijk bij de slordige lezer die ik ook af en toe was) de indruk dat de wetenschap de prioriteit moet hebben, en lijkt hij van mening dat normen en de culturele producten waarin deze tot uiting komen (zoals de literatuur) alleen maar voorwetenschappelijke, diffuse en particuliere kennis opleveren. Soms lijkt hij echter ook het kritische en normatieve (en dus ook voor de literatuur) als een heel eigen domein te beschouwen waar problemen behandeld worden waarop de wetenschap nooit een antwoord kan geven. In Rekenschap 1650-2000 staat dat als volgt geformuleerd: “[Kunst] beantwoordt […] aan een duidelijke behoefte, namelijk de noodzaak om zich zo goed mogelijk te oriënteren in een als chaotisch ervaren wereld, juist ook op gebieden waar wetenschap ons in de steek laat. Want de wetenschap heeft ons dikwijls niets te bieden.” (p. 24, curs. FR). Dit thema van het grote belang van kunst en literatuur tekent zich terugblikkend eigenlijk al vanaf het allereerste begin af, bij voorbeeld in zijn dissertatie Literary Doctrine in China and Soviet Influence 1956-1960. De dissertatie is een nauwgezette analyse van de officiële partijopvattingen over literatuur die in de onderzochte periode werden gepropageerd door de communistische partij in China. Het zijn visies die ver van de onze afstaan (al zouden de huidige pleitbezorgers voor meer politiek engagement in de literatuur er goed aan doen er als waarschuwing kennis van te nemen) maar Fokkema slaagt er uitstekend in zich als een neutrale academische toeschouwer op te stellen zonder de ontwikkelingen vanuit eigen (dan wel westerse) opvattingen te beoordelen. Hij beperkt zich tot een neutrale wetenschappelijke beschrijving van een andere wereld onderworpen aan een eigen logica. Toch schemert zo af en toe wel degelijk zijn eigen visie tussen de regels door. Of eigenlijk is het veel meer dan tussen de regels. De studie opent met een motto van Paustovsky dat juist als motto het hele betoog ‘framed’, hoezeer de wereld die in de driehonderd pagina’s erna beschreven wordt ook de regelrechte ontkenning is van dat motto. Dat motto luidt: “Pitiable is the fate of the writer who trifles with the truth for reasons alien to literature”. Dat roept natuurlijk wel de vraag op: wat zijn redenen die wél tot die kennelijke waarheid van de literatuur behoren? De lezer van de dissertatie moet tot de conclusie wachten voordat daarover een tipje van de sluier wordt opgelicht. Maar daar stelt Fokkema dan toch onomwonden dat Chinese partijorthodoxe opvattingen over literatuur op gespannen voet staan met wat hij onder literatuur verstaat:

Throughout the ages […] an inspired use of language – the very material of literary art – and the creation of new linguistic and stylistic patterns and structures just at the margin of understandability has enriched communication and opened new channels of expression. Perhaps the inventive use of form and the expression through it of the hitherto unexpressed is one of the main functions of literature. But the orthodox Chinese writer must keep clear of the margins of understandability. He must adopt the language of the masses, speak with the voice that the ‘common folk of China loves to hear’, and to convey his message with the maximum of understandability. (p. 264, curs. FR)

Dat ‘perhaps […] one of the main functions’ is natuurlijk nog zeer omzichtig geformuleerd, maar de strekking is duidelijk.

In Het Chinese Alternatief in literatuur en ideologie (1972) neemt hij meer ruimte om zich als criticus uit te spreken. Over het maoïsme is hij hier heel duidelijk, maar hij legt tegelijk een interessante relatie met het westen. De zekerheid van het maoïsme, zegt hij, is

te herleiden tot wat in feite een hypothese is. Zij berust op speculatie. Als zekerheden verpakte speculatieve beweringen maken het maoïsme tot een normatieve leer die zich aan de ervaring niet stoort. […] Een soortgelijke leerstelligheid is ook in het Westen niet onbekend. Het Westen kent echter naast respect voor de christelijke, socialistische, enzovoorts normen, ook de twijfel en de herziening van de norm op grond van de empirie. Misschien zou de westerse cultuurgeschiedenis sedert de achttiende eeuw geschreven kunnen worden in het kader van een wisselwerking tussen norm en empirie, waarbij de waarneming van wat als werkelijkheid wordt ervaren de normen beïnvloedt, die op hun beurt zich weer in de wereld der ervaring laten gelden. (p. 15)

Kennelijk is er in het westen een bepaalde balans tussen het verstand en de wil, tussen de waarneming en het ideaal, tussen empirie en norm (volgens Fokkema allemaal varianten van hetzelfde dualisme), een balans die in China ontbreekt. Deze (westerse) balans wordt positief gewaardeerd. In dit kleine voorbeeld wordt Fokkema’s concrete gebruik van de comparatistische methode gedemonstreerd.

In dezelfde bundel geeft hij in het hoofdstuk ‘Cultureel relativisme en vergelijkende literatuurwetenschap’ zijn zienswijze op de comparatistiek een meer conceptueel fundament. Het is een scherpzinnig en genuanceerd betoog over het culturele relativisme, een problematiek die nog altijd hoogst actueel is vandaar dat ik iets langer bij zijn visie hierop stil blijf staan. Fokkema opent zijn betoog met een beschouwing over het historisme. Het historisme is een beschouwingswijze “die de historische verschijnselen van een bepaalde periode interpreteert en waardeert vanuit de normen van die periode en in verhouding tot de overige historische verschijnselen van die periode” (p. 209). Het is een soort tolerantie ten opzichte van normen die anders zijn dan die van de eigen tijd. Historisme is met andere woorden een vorm van cultureel relativisme. Die tolerantie vindt Fokkema waardevol, maar hoe ver gaat hij daarbij? Kiest hij ongeclausuleerd voor het cultureel relativisme? Nee, en hier komt het comparatisme om de hoek kijken. Vergelijking van bijvoorbeeld de Europese cultuur (i.c. letterkunde) met de niet-westerse staat niet alleen in dienst van een grotere objectiviteit doordat men het Eurocentrische standpunt verlaat, maar “een adequate bestudering van de waardesystemen van de niet-westerse literatuur [zal] tevens de structuur van het waardesysteem van de ons vertrouwde letterkunde langs indirecte weg kunnen verduidelijken” (p. 217). Comparatisme als een weg naar zelfkennis dus. Hij citeert in dit verband instemmend J.V. Cunningham: “Our purpose in the study of literature, and particularly in the historical interpretation of texts, is not in the ordinary sense to further the understanding of ourselves. It is rather to enable us to see how we could think and feel otherwise than we do.” (p. 218) Hier komt dus de comparatist om de hoek kijken, maar het is comparatisme als (normatief) ideaal. Dit comparatistische ideaal komt heel dicht bij de functie die Fokkema ook literatuur toedicht: alternatieve zienswijzen en modellen uittesten. Het is dus beslist niet zo dat Fokkema zich als een waardevrije wetenschapper aan een ‘anything goes’- relativisme overgeeft. Want de (in principe objectief kenbare) beschrijving en analyse van een ander historisch tijdperk of een andere cultuur (i.c. letterkunde) wordt wel degelijk geconfronteerd met het (subjectieve) hedendaagse waardeoordeel.

Ook deze confrontatie past in het cultureel relativisme. […] Indien de literatuurwetenschap geheel zou afzien van een verantwoord presentistisch waardoordeel, zou zij vervallen in een historisme dat terecht is verworpen. Het historisme immers ontneemt de beoefenaar van de literatuurwetenschap de mogelijkheid een eigen oordeel over literatuur uit te spreken, terwijl deze meer dan enig ander hiertoe gekwalificeerd lijkt te zijn. Een zuiver historistische benadering verhindert de comparatist mede richting te geven aan de eigentijdse cultuur. (p. 222, curs. FR)

Dus ook hier weer: wetenschappelijke resultaten (in beginsel objectief) worden ingebracht in een normatief vertoog. Zonder deze combinatie is de wetenschap zinloos en zijn normen blind (om Kant te parafraseren). Dus “de literatuurhistoricus doet geen afstand van zijn functie van criticus, en de criticus wordt tevens literatuurhistoricus. Maar beide functies worden zo duidelijk mogelijk gescheiden” (p. 223). Hij verzet zich fel tegen de mogelijke tegenwerping dat beide activiteiten niet goed te scheiden zouden zijn:

De literatuurwetenschap bestaat bij de gratie van de veronderstelling (of zo men wil de mythe) dat de kennis van het historisch object en waardering door het oordelende subject kunnen worden onderscheiden. (Ik ben me uiteraard ervan bewust dat deze veronderstelling op zich zelf reeds een waarde vertegenwoordigt, maar dan toch wel een bij uitstek wetenschappelijke waarde). Wordt dit uitgangspunt prijsgegeven, dan stelt men zich wijd open voor subjectivismen die met wetenschap niets meer van doen hebben. (p. 223-224)

Dit is een fascinerende passage omdat in de toevoegingen tussen haakjes de problematiek en de spanning in het werk van Fokkema wordt benoemd. De literatuurwetenschap bestaat bij de gratie van een mythe en is feitelijk normatief ingekaderd. Daarmee wordt in dezelfde beweging waarmee beide domeinen worden gescheiden, de scheiding ook al weer opgeheven of op zijn minst ondergraven.

Tot slot nog een enkele observatie over het grote Nederland-in-Europa project dat onder zijn hoede is uitgevoerd. Het is aardig in zijn afscheidscollege uit 1996 (Culturele identiteit en literaire innovatie. Faculteit der Letteren Universiteit Utrecht), toen het project nog volop liep, te lezen:

Ik ben geen Eurofan en nog minder een verdediger van het bastion Europa. Maar ik geloof wel in de vitaliteit van de Europese culturen die heel wat meer verscheidenheid hebben te bieden dan de Noordamerikaanse […]. (p. 21)

Het lijken me ook nu nog behartigenswaardige woorden: een genuanceerde inschatting van wat nu eigenlijk de waarde van Europa is. In de slotbeschouwing van Rekenschap 1650-2000, wordt er door hem (en zijn co-auteur Grijzenhout) een meer bevlogen toon aangeslagen. Zo’n immens project moet natuurlijk ook met een stevig slotakkoord afsluiten. De auteurs menen niet alleen dat de Europese waarden en levensomstandigheden dienen te worden verdedigd, maar ook dat Europa niet minder dan een historische taak heeft. De dialoog van Europa met andere culturen zoals de islamitische of de Chinese is een “onontkoombare plicht”. En met woorden die vandaag de dag een extra urgentie lijken te hebben gekregen:

Met alle respect voor de verschillende culturen in andere continenten dient Europa zich medeverantwoordelijk te beschouwen voor de gehele wereld. Die verantwoordelijkheid is zo zwaar, dat zij de lidstaten ertoe zou kunnen brengen hun onderlinge geschillen bij te leggen of althans niet hoog op te nemen. (p. 353)

Hier zien we dat Fokkema als comparatist en cultuurcriticus zijn vleugels op zijn wijdst heeft uitgeslagen en voor het grootst mogelijke thema niet terugschrikt: de toekomst van de wereld en de rol van Europa daarin.

Douwe Fokkema heeft een boeiend en nog steeds op vele punten relevant oeuvre nagelaten.

Utrecht, 16 oktober 2011

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags . Bookmark de permalink.