Col: Gebarentaal als gevoelstaal

“Het Fries is de gevoelstaal in Friesland,” zei minister Piet-Hein Donner vorige week zaterdag tijdens een persconferentie. Om die reden heeft het kabinet Rutte in het regeeraccoord afgesproken om de positie van het Fries beter te regelen. Een andere reden voor die maatregel volgens de minister: “Hoe meer talen je kent, des te makkelijker je andere talen leert en je de verschillende talen begrijpt.” Donner was ook niet bang dat mensen de verschillende talen door elkaar gaan gebruiken: “Ik heb zelf een groot deel van mijn opleiding in het Frans gehad. Wanneer je maar weet dat je de talen gescheiden moet houden, is er geen probleem.”

Dat zijn allemaal goede argumenten. Ze vormen een belangrijke breuk met het Nederlandse beleid van de afgelopen vijftien jaar, waarin er juist van werd uitgegaan dat het leren van het Nederlands voorop moet staan en dat andere talen een correcte beheersing van de officiële taal alleen maar hinderen.
Dat leidde er onder andere toe dat het onderwijs in zogenoemde ‘allochtone levende talen’ is afgeschaft. Alle door Donner genoemde argumenten gelden natuurlijk net zozeer voor het Turks en het Marokkaans als voor het Fries: het zijn gevoelstalen, ze helpen hun sprekers om andere talen zoals het Nederlands te leren en te begrijpen, en zolang mensen begrijpen hoe de twee talen gescheiden moeten worden, is er geen probleem.
Het is interessant te zien wat deze nieuwe overheidswaardering voor meertaligheid gaat betekenen voor het taalonderwijs in de vele minderheidstalen die er in Nederland gesproken worden. Het belangrijkst is dat misschien wel voor n taal die al eeuwenoude wortels in Nederland heeft, en waarvan de sprekers bovendien grote praktische problemen hebben met het Nederlands – veel groter dan Turken, Marokkanen of Friezen. Het betreft de Nederlandse Gebarentaal, de taal van de meeste doven in Nederland.
Alle deskundigen zijn het erover eens dat de gebarentaal een volwaardige taal is, waarin kan worden gedicht, gevloekt, college gegeven en geflirt. Het is de taal waarin doven de wereld leren kennen en met elkaar communiceren. De taal wordt inmiddels op allerlei niveaus onderzocht, er bestaan woordenboeken, websites, grammaticale studies en een redelijke gestandaardiseerde vorm. Dat is nodig: de taal verschilt in zinsbouw en de woordenschat op heel belangrijke punten van het Nederlands.
De Nederlandse doven beheersen over het algemeen zeer behoorlijk Nederlands. Toch heeft juist hun taal veel te winnen bij erkenning door de Nederlandse overheid. Juist doven hebben behoefte aan goede tolkendiensten, overheidsinformatie in de eigen taal en een grotere zichtbaarheid in de openbare ruimte. Juist doven horen in een beschaafd land hun gevoelstaal te kunnen gebruiken.
Doordat de techniek van cochleair implantaten – in het lichaam ingebrachte hoorapparaten – steeds verder voortschrijdt, zal de Nederlandse gebarentaal over enkele generaties misschien uitsterven. Zover is het echter nog niet: zo lang wij leven, zullen er doven onder ons zijn voor wie de gebarentaal de moedertaal is.
Al in 1997 heeft een commissie onder leiding van de Amsterdamse hoogleraar taalwetenschap Anne Baker voorgesteld om de Nederlandse gebarentaal erkenning te geven. Die commissie was ingesteld door de Nederlandse overheid, maar deze heeft er vervolgens niets mee gedaan. Ergens in een bureau op Donners ministerie moet dat rapport nog steeds liggen. Zou het er niet eens uit kunnen worden gehaald?

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie. Bookmark de permalink.