Weinig meer dan een nederig medium. Over Mark Boog

In de zomer 2001 verscheen een recensie van de eerste roman van Mark Boog, De vuistslag, in De Groene Amsterdammer. Die recensie was positief en maakte nieuwsgierig, hoewel er aan het boek allerlei eigenschappen werden toegedicht die mij normaal gesproken niet onmiddellijk mijn lessenaar doen uitklappen. ‘Mark Boog weet de objecten in de kamer op bijna surrealistische manier tot leven te wekken’, vertelde de recensente bijvoorbeeld, en: ‘er is nauwelijks een plot’, en: ‘het is moeilijk zo niet onmogelijk om je met deze fascistoïde figuur [van de hoofdpersoon] te identificeren’.

Toch wilde ik door de voorbeelden die de schrijfster gaf wel wat meer over deze jonge schrijver weten. Ik tikte zijn naam in bij Google, en vond zijn eigen website op <http://www.markboog.nl/>, met onder meer het volgende:

Inspiratie
Men gaat naar de bakker en men zegt: ‘Een halfje wit, graag.’
Men had kunnen zeggen: ‘Mag ik van u een half gesneden wit?’,
of: ‘Een half witbrood, en snel!’, of: ‘Heeft u voor mij
een halfje van uw niet onterecht beroemde wittebrood, bakker?’
Dat had men allemaal kunnen zeggen, maar men zegt, onvoorbereid,
als uit het niets: ‘Een halfje wit, graag,’ en zie: het werkt!
Ineens was het daar! Het moest precies zó zijn, dat wist men meteen!
Het bestond al, hing in de lucht, het gebruikte ons slechts om
ter wereld te komen, wij zijn weinig meer dan een nederig medium!

Ik had geen idee wat andere mensen van zijn werk vonden – maar ik meende dat op basis van dit gedicht aan Mark Boog onverwijld alle literaire prijzen moesten worden uitgereikt die er maar bestaan en dat hem van overheidswege alle middelen worden aangereikt zodat hij voort zou blijven schrijven. Mij was elk woord dat hier staat volkomen uit het hart gegrepen. Ik wist meteen: van Mark Boog ga ik elke snipper lezen die ik vinden kan.

Dat heb ik sindsdien ook gedaan, want er zijn geen moderne Nederlandse schrijvers bij wie ik me zo om elke alinea kan verheugen. Ik ben nog geen bladzijde van hem tegengekomen die me verveelde.

Nu zou je over het gedicht ‘Inspiratie’ nog kunnen zeggen dat het een voor de hand liggende keuze is voor een taalkundige, omdat het onder andere gaat over het wonder van het alledaagse taalgebruik: je staat bij de bakker en beslist binnen een fractie van een seconde hoe je je wens formuleert. Bovendien ‘werkt’ die wens: je hebt invloed op de werkelijkheid. Iedere mens is een dichter! Ja, dat hoort een taalkundige natuurlijk graag.

Maar neem nu het begin van Boogs tweede roman, De warmte van het zelfbedrog:

Ik verliet het huis in verwarde toestand. Zo heet dat. Ik trok de deur met mijn linkerhand achter mij dicht en keek gejaagd rond. Niemand wist dat ik om andere redenen dan een simpele boodschap mijn woning verliet, maar misschien was het me aan te zien. Men weet al niet wat men van zichzelf moet denken, hoe dat met anderen zit is principieel onkenbaar. Voeg daarbij de natuurlijke drang van verraad van de mens en het wordt duidelijk dat het zaak was mij zo onopvallend mogelijk te gedragen — wat overigens altijd geldt, zodat speciale aanpassing van mijn gedrag aan de omstandigheden niet noodzakelijk was. Een goed begin.

Het heeft geen enkele zin om hetgeen volgt samen te vatten (‘er is nauwelijks een plot’): de ik-persoon komt in een dorp terecht, beleeft daar wederwaardigheden die onder andere een bordeel, een dorpsplein, een bierfeest en een restauranthoudster betreffen, en gaat weer weg als hem invalt dat hij thuis warm onthaald zal worden. Net als in het gedicht wordt in dit boek herhaaldelijk en uitvoerig stilgestaan bij het wonder van de gelukte bestelling.

Nu kan men wel weer tegenwerpen dat de allebei de romans van Boog kennelijk over verwarde, om niet te zeggen fascistoiïde personen handelen en de lezer van Neder-L weet natuurlijk niet in welke geestestoestand ik me momenteel bevind, dus misschien ligt identificatie ook hier weer voor de hand. Maar ik denk dat het om iets anders gaat: de verhalen en zelfs de onderwerpen van de gedichten zijn alleen maar nodig om de kleine, laconiek-wanhopige observaties te berde te kunnen brengen. Die waanzin van de hoofdpersoon is daar volgens mij uit te verklaren: iemand die helemaal goed snik is, heeft niet nu eens een rake formulering over dit onderwerp, en dan weer over dat. De verwardheid van de hoofdpersoon is alleen maar een vrij doorzichtige truc om van alles en nog wat aan elkaar te kunnen praten.

Ik denk als ik eerlijk ben ook niet dat het werk van Boog tot nu toe wereldliteratuur is, al zou het me niet verbazen als mijn favoriete auteur nog eens een boek schrijft dat in alle landen van de wereld verplichte kost wordt op de middelbare scholen. Tot die tijd is het privéliteratuur van een auteur die ik persoonlijk niet ken. In het bijzonder klinkt er een toon die ik herken: zo praten sommige van mijn beste vrienden al sinds ik volwassen ben. Bij oudere of jongere mensen hoor ik die toon niet. Het maakt me daarom ook niet zoveel uit wat andere mensen ervan vinden, het is alsof elke zin die Mark Boog neerschrijft, moeiteloos mijn levensmotto zou kunnen zijn, al kan ik er niet goed achterkomen waarom dat zo is.

Voor zover ik de recensies heb gevolgd, was men zeer enthousiast over de eerste bundel Alsof er iets gebeurt en de eerste roman De vuistlag, maar minder over de tweede bundel Zo helder zagen we het zelden en de tweede roman De warmte van het zelfbedrogomdat men vond dat Boog in een maniertje dreigde te vervallen. Over de derde bundel, Luid overigens de noodklok is men weer algemeen enthousiast, en dat is ook volkomen terecht, want in deze bundel zijn de pareltjes ook nog eens ingebed in een sterkere structuur dan het vroegere werk. De afdeling ‘Zout’ laat alle associaties die dat woord heeft aan de orde komen: van ‘Omvangrijke zoutlagen in deze grond: de mijn dient gebruikt’ tot en met:

Zoals ik me vasthou aan de schaal zoutjes,
zo draag jij haar. Zoals jij de glazen ledigt,
zo ledig ik mijzelf.
En alles is goed, want eindigt.

(Het aller-, allermooist van deze bundel en misschien wel van het hele oeuvre tot nu toe vind ik die t in eindigt.) Bovendien bevat de bundel een prachtige bewerking van het bijbelse Hooglied, want omdat hij zo goed kan kijken en formuleren, is Boog ook nog een echte liefdesdichter.

De toon van Boogs proza is wel vergeleken met die van Gerard Reve, maar dat is alleen maar oppervlakkig waar. De overeenkomst is dat de hoofdpersoon zijn omstandigheden de hele tijd benoemt in een formele taal om zo zijn angsten te bezweren. Maar mij doet die toon veel meer denken aan de theatrale versie van die plechtige wanhoop, met name die van Herenleed van Armando en Cherry Duyns. Als een priester de hoofdpersoon waarschuwt dat hij met geweld verwijderd zal worden van het kerkterrein waar hij kampeert, gebeurt het volgende:

‘U schertst!’ lachte ik, terwijl ik olijk knipoogde. ‘Ik breng hier slechts enkele nachten door, omdat een mens nu eenmaal moet slapen. Zonder tent, zult u vragen, en inderdaad: zonder tent. Ik begrijp niet waar u zich mee bemoeit. Of een mens in een tent slaapt of niet, dat moet hij toch zelf weten? Zelf ben ik zeer begripvol ten opzichte van andere mensen: ik begrijp dat ze angsten hebben die ik niet begrijp en dat ze plezier scheppen in zaken die verre van lollig zijn, maar ik zal ze niet snel veroordelen. Althans niet hardop. U kunt daar wat van leren!’

Dat lijkt me een tekst die ‘Heer 1’ en ‘Heer 2’ samen ook zouden kunnen uitspreken — personages waarop de termen ‘in verwarring’ en ‘fascistoïde’ eveneens van toepassing zijn. Dat andere mensen plezier scheppen in zaken die verre van lollig zijn, lijkt me overigens een adequate samenvatting van deze wereld. De rol van de schertsende priester zou vervuld kunnen worden door Johnny van Doorn:

‘Met tent mag het ook niet. U bent een landloper,’ zei de pastoor onaangedaan.

De vuistslag heeft deze toon overigens veel minder. Hij is niet helemaal afwezig, maar dan veel Reviaanser (‘De verveling, mits kortstondig genoten, is een zegen […] De verveling is de pauze tussen de gangen, wekt de eetlust op. Ze geeft de mogelijkheid tot bezinning. Je kunt het laatstgenotene nog eens beschouwen, en beoordelen, en je kunt je voorbereiden op het volgende.’). Misschien komt de toon van mijn vrienden ook wel van Herenleed, dat immers werd uitgezonden toen we tussen twaalf en vijftien jaar oud waren, een ontvankelijke leeftijd. Gerard Reve was toen een oudere man die werd verweten dat hij zichzelf herhaalde. Ik ben helemaal geen bewonderaar van Herenleed, maar misschien is de invloed van dat tv-programma wel groter op de mensen om mij heen dan ik weet.

Er is nog een aspect van Boogs werk dat ik noemen wil: zijn publicaties op het internet. De dichter heeft een eigen webpagina die er oerlelijk uieowel eerder gepubliceerd als gloednieuw (althans, in september was het gloednieuw) materiaal.

Nog mooier is de website Poetry in motion, die kennelijk gemaakt wordt door een vriend van Boog. Hier worden veel gedichten in een videoclip getoond en geïllustreerd; dat geldt onder andere voor de al genoemde cyclus ‘Zout’. Ook is de dichter aan het werk te zien op zijn eigen webcam. Ik ga er af en toe kijken om te bekijken of er nog nieuwe levensmotto’s in de maak zijn. De dichter wuift me dan welwillend toe. Er komt vast nog meer.

Verwijzingen

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags . Bookmark de permalink.